Top

De Vermisten van het Huiselijk Geweld: MannelijkeSlachtoffers                  

Richard J. Gelles, Ph.D.
School of Social Work
University of Pennsylvania
Philadelphia, PA 19104215.573.7133

Copyright Richard J Gelles 1999
Vertaald door Paul Willekens, februari 2003

Ik heb Alan en Faith  zo'n 25 jaar geleden leren kennen. Ik was toen bezig met het interviewen van mannen en vrouwen over een onderwerp, dat in die tijd zowel taboe was als een zaak, die behandeld was als een onuitspreekbaar, persoonlijk probleem: geweld in het gezin. Ik was een van de eerste onderzoekers in de Verenigde Staten, die het waagde een studie te maken over de omvang, de patronen en de oorzaken van wat ik toen noemde "echtelijk geweld", maar wat vandaag bestempeld wordt als "huiselijk geweld". Er was bijzonder weinig onderzoek of informatie om mij te helpen in mijn studie. De hele wetenschappelijke bibliografie bestond uit twee krantenartikels. Met uitzondering van de schandaalpers, hadden de media en de talk shows de duistere kant van familieverbanden nog niet ontdekt. Zowel Alan als Faith spraken over hun ervaringen met geweld in hun intieme relaties en huwelijken. Het geweld was soms verregaand, zelfs met messteken en beenbreuken. En toch kwamen Alan en Faith amper als voetnoten voor in mijn eerste boek, “The Violent Home” (Sage Publications, 1974) (“Het Gewelddadig Huis” nvdr). Ik geef nu toe wat ik toen reeds wist, namelijk dat ik de verhalen van Alan en Faith over het hoofd had gezien. Hun relaas was tot bijschriften gereduceerd, omdat zij niet pasten in het waarnemingskader van mijn onderzoek. Hoewel ik mijn studie betitelde als een onderzoek naar familiaal en echtelijk geweld, toch richtte ik me voornamelijk op geweld tegen vrouwen. Dat was het onderwerp waarvan ik hoopte de mensen bewust te maken. Alan daarentegen had zijn vrouw nooit geslagen. De breuken en schaafwonden, die voorkwamen in zijn huis, werden toegebracht door zijn vrouw. Faith was een slachtoffer van geweld. Haar man, haar ex-man en haar vriendjes hadden haar herhaaldelijk geslagen en misbruikt. Deze feiten werden plichtsbewust verteld en gerapporteerd in mijn boek en in mijn opeenvolgende artikels. De situatie van Faith was de focus van mijn artikel “Abused Wives: Why Do They Stay?” (“Mishandelde Vrouwen: Waarom Blijven Ze?” nvdr). Maar het geweld van Faith, waarbij ze haar man ondermeer messteken toebracht toen hij de ochtendkrant aan ’t lezen was, kwam voor als een kleine aanhaling in mijn boek, met weinig analyse of discussie. In mijn eerste studie over familiaal geweld had ik geweld tegen mannen over het hoofd gezien. Ik mocht en zou dit nooit meer doen.

Mijn erkenning van geweld tegen mannen kwam op een rare manier tot stand. Twee jaar na mijn initiële studie van familiaal geweld, organiseerde de American Sociological Association een sessie over “Familiaal Geweld” als programma-onderdeel van hun jaarlijkse ontmoeting. Het was voor het eerst dat deze geleerde vereniging waardevolle vergadertijd en -ruimte had voorzien voor dit onderwerp. Maar toch, hoewel de meeste sessies vrij toegankelijk waren voor iedereen die ingeschreven was voor de ontmoeting, moest voor deze sessie vooraf gereserveerd worden. Toen ik mijn voorlopig programma toekreeg, verzocht ik diezelfde dag nog schriftelijk om toegang tot die sessie, maar ik kreeg snel als antwoord dat de sessie “volzet” was. Ik herinner me niet erover nagedacht te hebben hoe en waarom een sessie helemaal volzet kon zijn zodra ze was aangekondigd. Ik spaarde evenwel geen moeite om af te spreken met anderen in mijn domein, die geïnteresseerd waren in dit zelden bestudeerd onderwerp van familiaal geweld. Zodus ging ik toch, zonder uitnodiging, naar de sessie. Ik zat achter in de zaal, met de hoop toch te horen wat er gezegd werd, maar zonder met de vinger gewezen te worden als “ongenode gast”.

De sessie vond plaats in een kleine balzaal. Er waren ongeveer 20 mensen aanwezig, zittend in een cirkel. De zaal was allesbehalve vol. De sessie werd voorgezeten door twee sociologen uit Schotland, die op het punt stonden hun eigen boek uit te geven over familiaal geweld, getiteld “Violence against Wives: A Case against Patriarchy.” (“Geweld tegen Vrouwen: een Zaak tegen het Patriarchaat” nvdr). Een groot deel van de sessie spitste zich toe op de toepassing van de feministische theorie van het “patriarchaat” bij de verklaring van de omvang en de patronen van geweld tegen vrouwen, zowel in de huidige maatschappij als in het verleden en in verschillende culturen. Een groot deel van de discussie was informatief en bruikbaar. Maar toch bracht iemand de vraag naar voren of ook mannen slachtoffers waren van huiselijk geweld. De leiders van de sessie en verschillende anderen uit de groep stelden categoriek dat er geen mannelijke slachtoffers waren van huiselijk geweld. Op dat ogenblik stak ik mijn hand op, op gevaar af als “ongenode gast” ontmaskerd te worden. Ik legde uit dat ik nochtans mannen en vrouwen had geïnterviewd, die vertelden over significant en soms zwaar geweld tegen mannen. Ik werd niet echt de mond gesnoerd, maar ik kreeg te horen dat ik zeker verkeerd moest zijn, en zelfs indien vrouwen mannen zouden geslagen hebben, dat het dan altijd uit zelfverdediging was en dat vrouwen nooit geweld gebruikten om hun partners te dwingen en te controleren, zoals mannen dat wel deden.

Alan en Faith waren plots zomaar geen voetnoten meer, maar ik kon het belang hiervan niet duidelijk inzien tot twee jaar later.

Mijn onderzoek voor “The Violent Home” (“Het Gewelddadig Huis” nvdr) was een kleine studie, steunend op 80 interviews, afgenomen in New Hampshire. Dat onderzoek wees op de mogelijkheid dat familiaal geweld wel veel voorkwam en op de waarschijnlijkheid dat sociale factoren, zoals het inkomen en de invloed van de familie, causale factoren waren. Maar de studie was te klein en té explorerend om meer te zijn dan suggestief. Om een bredere kennis en begrip te krijgen van familiaal geweld, heb ik samen met mijn collega's Murray Straus en Suzanne Steinmetz in 1976 het "First National Family Violence Survey" ("Eerste Nationaal Onderzoek naar Familiaal Geweld" nvdr) gevoerd. Er werd een nationaal representatief staal van 2.143 individuele familieleden geïnterviewd. De resultaten werden gepubliceerd in een reeks geleerde artikels en uiteindelijk in het boek "Behind Closed Doors: Violence in the American Family" ("Achter Gesloten Deuren: Geweld in de Amerikaanse Familie" nvdr) (1980, Anchor Books). Wat mijn collega's en mezelf het meest verbaasde was het hoge aandeel van geweld tegen kinderen, tussen kinderen onderling, tegen ouders en tussen partners, zoals gerapporteerd door diegenen die we interviewden. Totnogtoe werd geweld tegen kinderen en vrouwen in de honderduizenden geschat, maar niet hoger dan een miljoen. Maar onze studie, gebaseerd op eigen verklaringen, plaatste het aandeel eerder tussen één en twee miljoen gevallen.

De meest controversiële ontdekking bleek, achteraf gezien, dat het aandeel van intiem geweld van volwassen vrouwen tegen volwassen mannen even groot was als het aandeel van geweld van mannen tegen vrouwen. En meer nog, het misbruik met geweld van vrouwen tegen mannen kwam evenveel voor als misbruik met geweld van mannen tegen vrouwen. Toen mijn collega Murray Straus deze ontdekking in 1977 presenteerde op een conferentie over "mishandelde vrouwen", werd hij bijna uitgejouwd en van het podium gefloten. Toen mijn collega Suzanne Steinmetz in 1978 een geleerd artikel publiceerde, "The battered husband syndrome" ("Het mishandelde echtgenoot syndroom" nvdr), schreef de uitgever van het professioneel journaal in hetzelfde nummer een kritiek op het artikel van Suzanne.

De reactie op onze ontdekking dat het aandeel van familiaal geweld van vrouwen tegen mannen even groot was als het aandeel van familiaal geweld van mannen tegen vrouwen, bracht niet alleen verhitte, geleerde kritieken, maar ook intense en langdurige persoonlijke aanvallen mee. Alledrie kregen wij doodsbedreigingen. Er kwamen telefoontjes met bommeldingen naar conferentiezalen en gebouwen waar wij geprogrammeerd stonden. Suzanne kreeg de zwaarste aanvallen te verduren. Mensen schreven en belden haar universiteit en drongen erop aan om haar te weren. Er werd gebeld en geschreven naar overheidsinstanties met het verzoek om haar onderzoeksbeurs te annuleren. Alledrie werden wij "non persons" ("onbestaand" nvdr) onder advocaten van huiselijk geweld. Er kwamen minder uitnodigingen voor conferenties en tenslotte bleven ze helemaal uit. Vakliteratuur en feministische bladen citeerden ons onderzoek zonder het aan ons toe te schrijven. Boekenhandelaars verklaarden publiekelijk dat ze onze boeken niet zouden bestellen noch te koop aanbieden.

Meer gesofisticeerde critici waren niet persoonlijk, maar methodologisch. Die critici spitsten zich toe op de manier waarop we geweld hadden gemeten. We hadden een instrument ontwikkeld, “The Conflict Tactic Scales” (“De Schalen van Conflict Tactiek” nvdr). Dit meetinstrument voldeed aan alle wetenschappelijke standaarden voor betrouwbaarheid en waarde, zodat de critici zich meer richtten op de inhoud. Ten eerste, de meting nam gewelddaden in beschouwing en niet de nasleep ervan: dus er was geen registratie van de consequenties of verwondingen als gevolg van geweld. Ten tweede, de meting spitste zich toe op daden en niet op de context of de totstandkoming: er werd dus niet bepaald wie wie sloeg, en of het geweld uit zelfverdediging was. Deze twee kritieken, dat de meting geen evaluatie maakte van context noch gevolg, werden de volgende twintig jaar als een mantra afgerateld.

Terwijl het tromgeroffel van kritiek aanhield, hielden Murray Straus en ikzelf in 1986 het “Second National Family Violence Survey” (“Tweede Nationaal Onderzoek naar Familiaal Geweld” nvdr). We probeerden rekening te houden met de twee methodologische kritieken op de “Conflict Tactics Scales”. In 1986 interviewden we telefonisch een nationaal representatief staal van 6.002 individuele familieleden. Deze keer stelden we vragen over de nasleep van geweld, over de aanleiding en de context, en wie het conflict begon, en hoe.

De uitslag wekte weer verbazing. Ten eerste, in tegenspraak met de stelling van advocaten dat er een epidemie heerste van kinder- en vrouwenmishandeling, vonden wij dat de gerapporteerde graad van geweld tegen kinderen en tegen vrouwen was afgenomen. Dit leek ons best logisch, gezien er tussen 1976 en 1986 veel moeite en geld was besteed aan preventie en behandeling, zowel van kindermishandeling als van vrouwenmishandeling. Geweld van vrouwen op mannen daarentegen toonde geen teruggang en was ongeveer even frequent en erg als geweld van mannen op vrouwen.

De bestudering van context en gevolgen bracht ook verrassingen. Ten eerste, zoals advocaten verwachtten en zoals gegevens uit misdaadenquêtes aantoonden, werden vrouwen vaker gewond bij huiselijke gewelddaden dan mannen. Ten tweede, in tegenstelling tot de gedachte dat vrouwen enkel sloegen uit zelfverdediging, vonden we dat vrouwen even vaak met geweld begonnen als mannen. Teneinde een tegengewicht te vormen tegen een mogelijke vooringenomenheid bij het rapporteren, herbekeken we onze gegevens door uitsluitend te kijken naar wat vrouwen zelf rapporteerden. De vrouwen toonden een gelijkaardig voorkomen van geweld van vrouwen op mannen als van mannen op vrouwen. En vrouwen vertelden zelf dat ze even goed met geweld begonnen als mannen.

Toen we de resultaten van de “Second National Family Violence Survey” publiceerden, gingen de persoonlijke aanvallen door en de professionele critici gingen gewoon voorbij aan de methodologische aanpassingen van het meetinstrument. Deze ronde van persoonlijke aanvallen was veel venijniger. Er was vooral de aanval op Murray, dat hij zelf zijn vrouw had mishandeld. Dit is een eerder typische kritiek in het domein van familiaal geweld: mannen, die aankomen met politiek minder correcte onderzoeksresultaten, worden bestempeld als “perps”
(= “perpetrators” = “daders” nvdr).

Tot hier heb ik het enkel gehad over ons eigen onderzoek. Het is nochtans belangrijk er op te wijzen dat onze bevindingen verschillende keren werden versterkt door veel verschillende onderzoekers, die gebruik maakten van veel verschillende methodologische benaderingen. Mijn collega Murray Straus bekeek meer dan 30 studies, die een type staal beschreven dat niet “zelf-selecterend” is. Een voorbeeld van een zelf-selecterend staal zijn vrouwen in opvangtehuizen voor mishandelde vrouwen, of vrouwen die reageren op advertenties die kandidaten recruteren voor onderzoek. Niet-geselecteerde stalen zijn gemeenschapsstalen, stalen van universiteitsstudenten of representatieve stalen. Hij vond dat élk van die studies op niet “zelf-selecterende” stalen uitkwam op een vergelijkbare mate van aanvallen van vrouwen op hun mannen als van mannen op hun vrouwen. De enige uitzondering hierop was de “U.S. Justice Department” met zijn “Uniform Crime Statistics”, zijn “National Survey of Crime Victims” en zijn “National Survey of Violence against Women” (“U.S. Ministerie van Justitie”, “Uniforme Misdaadstatistieken”, “Nationaal Onderzoek naar Slachtoffers van Misdaden”, “Nationaal Onderzoek naar Geweld tegen Vrouwen” nvdr).

De "Uniform Crime Statistics" rapporteren het aandeel van dodelijk, echtelijk geweld. Waar zo'n 25 jaar geleden het aandeel en het aantal voor mannelijke en vrouwelijke slachtoffers ongeveer gelijk was, is vandaag het aantal vrouwelijke slachtoffers van partnerdoodslag duidelijk hoger dan het aantal mannelijke slachtoffers en ook het aandeel is groter. Het "National Crime Victims Survey" en het "National Survey of Violence against Women" geven allebei een inschatting van partnergeweld in het kader van een crimineel onderzoek. Het is redelijk te veronderstellen dat zowel mannen als vrouwen in een crimineel onderzoek ondermaats rapporteren over partnergeweld van vrouwen op mannen, omdat zij dergelijk gedrag niet echt beschouwen als een misdaad.

Toch is het de moeite nogmaals te herhalen dat bijna alle studies van huiselijk of partnergeweld het erover eens zijn dat vrouwen het meest gewond raken als gevolg van partnergeweld.

Twee nieuwe studies leveren een bijdrage tot ons goed begrip van partnergeweld en van de omvang van geweld tegen mannen. Ten eerste, David Fontes voerde een onderzoek naar huiselijk geweld tegen heteroseksuele mannen in een relatie, vergeleken met huiselijk geweld tegen heteroseksuele vrouwen. Het staal voor het "Partner Conflict Survey" ("Onderzoek naar Partnerconflict" nvdr) bestond uit personeel van het "California Department of Social Services" ("Departement van Sociale Diensten van Californië" nvdr). Er werden 200 enquêtes uitgedeeld aan personeelsleden in vier locaties (Sacramento, Roseville, Oakland en Los Angeles). Daarvan werden er al bij al 136 terug ingeleverd. Niet alleen ondervonden mannen eenzelfde aandeel van huiselijk geweld als vrouwen, maar mannen meldden ook evenveel verwondingen als vrouwen.

Meer recent werd in New Zealand een onderzoek uitgevoerd door de psycholoog Terrie Moffit van de Universiteit van Wisconsin-Madison. Hij vond eveneens ruwweg hetzelfde aandeel van geweld tegen mannen als tegen vrouwen in intieme relaties.

De meeste verhalen van journalisten en heel wat geleerde onderzoeken naar huiselijk geweld bevatten beschrijvingen van de gruwel van intiem geweld. Verhalen over opmerkelijke wreedheid en sadisme illustreren rapporten over huiselijk geweld. Dodelijke verwondingen, invaliditeit veroorzakende verwondingen en systematische, fysieke en emotionele brutaliteit worden in detail uit de doeken gedaan. Ik heb zelf veel van die verhalen gehoord en beschreven in mijn eigen boeken, artikels en interviews.

De "gruwel" van intiem geweld tegen mannen is lichtelijk verschillend. Er zijn elk jaar weliswaar honderden mannen die gedood worden door hun partners. Op zijn minst een vierde van de gedode mannen hebben geen geweld gebruikt tegen hun moordende partners. Mannen zijn beschoten, neergestoken, geslagen met voorwerpen, onderworpen aan verbale aanvallen en vernederingen. En toch geloof ik niet dat dit de "gruwel" is van geweld tegen mannen. De echte gruwel is de voortdurende status van mishandelde mannen als "vermisten" van het probleem van huiselijk geweld. Mannelijke slachtoffers tellen niet mee en ze worden niet geteld. De "Federal Violence against Women Act" ("Federale Wet op Geweld tegen Vrouwen" nvdr) identificeerde huiselijk geweld als een geslachtsgebonden misdaad. Van de miljarden dollars, die als fonds uit deze wet voortvloeiden, kwam er niet één terecht bij een mannelijk slachtoffer. Sommige "Aanvragen tot Voorstellen" van het U.S. Justice Department stellen dat onderzoek naar mannelijke slachtoffers of programma's voor mannelijke slachtoffers zelfs niet zullen worden onderzocht, laat staan gefinancierd. Federale budgetten gaan altijd naar een staatscoalitie tegen huiselijk geweld of naar plaatselijke of staatsagentschappen die bedoeld zijn om geweld tegen vrouwen te behandelen.

Mishandelde mannen krijgen te maken met een tragische onverschilligheid. Hun enige optie is de politie bellen en hopen dat een rechtspraak zich zal houden aan een verplicht of vermoedelijk aanhoudingsbevel. Maar wanneer de politie een aanhouding uitvoert in gevallen waar een man mishandeld werd, dan hebben zij de neiging over te gaan tot "tweevoudige arrestatie" en beide partijen worden gearresteerd.

Mishandelde mannen, die hun aanvallers ontvluchten, ondervinden dat hun vlucht neerkomt op het fysiek en zelfs het wettelijk verlies van hun kinderen. De mannen die blijven worden in het beste geval beschouwd als "wimps" ("slapjanussen" nvdr) of in het slechtste geval als "perps" ('daders" nvdr), vermits men, als ze thuis blijven, gelooft dat zij de ware mishandelaars zijn in het huis.

Dertig jaar geleden wisten mishandelde vrouwen niet waarheen, en niemand die hen hielp of raad gaf. Vandaag zijn er plaatsen zat: meer dan 1.800 opvangtehuizen, en veel diensten tot wie ze zich kunnen wenden. Mannen weten evenwel nog steeds niet waarheen en niemand tot wie ze zich kunnen wenden. Soms is er een tehuis voor opvang van mishandelde mannen, maar dat blijft zelden overeind, vooreerst omdat het blijvende, financiële steun mist, en ten tweede omdat het tehuis waarschijnlijk niet tegemoetkomt aan de noden van mannelijke slachtoffers. Mannen, die hun kinderen bij zich houden om te proberen hen te beschermen tegen mishandelende moeders, worden vaak zelf gearresteerd wegens "kindontvoering".

De frustratie, die mannen ondervinden, geeft vaak aanleiding tot luidruchtige uitbarstingen op conferenties, vergaderingen en forums over huiselijk geweld. Dergelijke uitbarstingen worden bijna terstond tegen de mannen gebruikt, door uit te leggen dat dit gedrag bewijst dat de mannen geen slachtoffers maar daders zijn.

Gezien er zoveel onderzoek naar huiselijk geweld voortdurend uitkomt op een hoge mate van geweld tegen mannen in intieme relaties, is het noodzakelijk om huiselijk geweld te herzien als wat anders dan een "geslachtsgebonden misdaad" of een voorbeeld van "patriarchale, dwingende controle". Enkel het vrouwelijk slachtoffer beschermen en enkel de mannelijke dader straffen, vormt geen oplossing voor de tragedie en de kost van huiselijk geweld. Hoewel dit geen "politiek correcte houding" is, en hoewel deze houding waarschijnlijk de aanzet zal zijn tot nog meer persoonlijke aanvallen tegen mij en mijn collega's, toch blijft het voor mij duidelijk dat het een probleem is van geweld tussen partners en niet van geweld tegen vrouwen. Het beleid en de praktijk moeten rekening houden met de noden van mannelijke slachtoffers, indien we de omvang en de tol van huiselijk geweld willen verminderen.

 
 

Top