Top

                                                                                                                                  Het ouderverstotingssyndroom (PAS)

rob van altena

 

Uitgebreide bespreking van het boek “Parental Alienation Syndrome” van R.A. Gardner

Een kind dat zonder reden een van zijn ouders verstoot: dat doet zich nogal eens voor na een scheiding. Het kind wil met de ouder waar het niet bij woont dan letterlijk nooit meer iets te maken hebben. Dit is een omvangrijk verschijnsel: in Nederland verliezen minstens 40% van de scheidingskinderen op de duur alle contact met de ouder bij wie zij niet wonen (bijna altijd de vader) en vaak gaat het daarbij om een verstotingssyndroom.

Ouderverstoting is in l984 voor het eerst als syndroom benoemd en beschreven door Richard A. Gardner, hoogleraar in de toegepaste kinder-psychiatrie aan de Columbia Universiteit van New York, gastprofessor in Sint-Petersburg, Leuven enz. en schrijver van ongeveer 35 boeken over kinderen in echtscheiding waarvan sommige ook in het Nederlands vertaald zijn.

Als standaardwerk over het verstotingsverschijnsel geldt ‘The Parental Alienation Syndrome’, waaruit in dit artikel uitvoerig geciteerd wordt. Voorts is er de laatste tien jaar in Amerika en Duitsland over dit gegeven een stroom van andere boeken en vakartikelen op gang gekomen

Volgens prof. Gardner is PAS een stoornis omdat ‘geen enkel kind door zijn genen geprogrammeerd is om een ouder af te wijzen die van dat kind houdt’. De stoornis bestaat uit hysterie, in ernstige gevallen uit paranoia. Bovendien handelt een kind dat zonder reden een ouder verstoot, consequent tegen zijn belang in en ook dat wijst niet op geestelijke gezondheid. Gardner benadrukt dat PAS niets te maken heeft met die kinderen die om een gegronde reden (b.v. ernstige mishandeling of verwaarlozing) een ouder verstoten. In die gevallen is verstoting immers een normale reactie, zij wordt pas een stoornis als zij niet gegrond is en tegen het eigen belang indruist.
Bovendien handelt een kind dat zonder reden een ouder verstoot, consequent tegen zijn belang in en ook dat wijst niet op geestelijk gezondheid. Gardner benadrukt dat PAS niets te maken heeft met die kinderen die om een gegronde reden (bv. ernstige mishandeling of verwaarlozing een ouder verstoten.. In die gevallen is verstoting immers een normale reactie, zij wordt pas een stoornis als zij niet gegrond is en tegen het eigen belang indruist.

Sommige van Gardners collega’s staan terughoudend tegenover het begrip PAS of willen het geen syndroom noemen, maar deze geleerdenstrijd draait nogal om definities en lijkt van minder belang dan het omvangrijke verstotingsverschijnsel zelf. Die verstoting ontstaat volgens Gardner wanneer de verzorgende ouder in het kind haatgevoelens tegen de andere ouder inbrengt, die vervolgens een eigen leven gaan leiden. Om dit alleen als ‘hersenspoelen’ aan te duiden, vindt Gardner te eenzijdig en passief: kenmerkend is juist dat de door de sociale omgeving opgeroepen krachten daarna in het kind een zelfstandige dynamiek ontwikkelen.

Acht duidelijke symptomen zouden het syndroom herkenbaar maken: minachtingscampagne tegen de niet-verzorgende ouder, zwakke of onzinnige redenen daarvoor, geen ambivalente gevoelens (de ene ouder is louter goed, de andere louter slecht), een nageprate ‘geheel eigen mening, reflexmatige steun aan de zorgouder in het ouderconflict, afwezigheid van schuldgevoelens, letterlijk citeren van onbegrepen woorden en uitbreiding van de vijandschap tot de familie van de gehate ouder.
In Nederland is de verstoten ouder in 90% van de gevallen, de vader en in 10% de moeder. In Amerika was dat tot voor kort ook zo. De psycholoog I.D. Turkat gebruikte in plaats van PAS zelfs de aanduiding
Malicious mother syndrome. Gardner hanteerde in plaats van de neutrale termen ‘verstoten ouder’ of ‘vervreemde ouder’ af en toe ook ter vereenvoudiging het woord ‘vader’ en in Nederland is de term ‘Parental Alienation Syndrome’ (PAS) wel vereenvoudigd weergegeven met ‘vaderverstotings­syndroom’. Maar volgens recente indrukken zou zich in Amerika een kentering voltrekken: het percentage moeders onder de verstoten PAS-ouders zou zelfs de 50% benaderen. In Nederland is daar (nog) niets van te merken.

 

Het pas-kind

Bij een geval van PAS heeft het kind zijn ouderpaar als het ware door-kliefd in een ‘geliefd’ en een ‘gehaat’ deel, aanduidingen die door Gardner bewust tussen aanhalingstekens worden gezet: “De gehate ouder wordt alleen ogenschijnlijk gehaat, er is nog veel liefde aanwezig. En de geliefde ouder wordt soms meer gevreesd dan geliefd.”

Er bestaat met deze ouder echter een sterkere gevoelsbinding dan met de gehate ouder. Een kind heeft een binding met allebei de ouders maar de sterkste binding zou veelal bestaan met die ouder door wie het als baby en als kleuter het meest verzorgd werd. Die binding zou het kind willen bewaren en zodra het denkt dat zij door de scheiding bedreigd wordt, zou het daarom tegen de andere ouder een afwijzings­campagne beginnen. De wapens die het daarbij inzet, zijn vaak kinderlijk en simplistisch. Helaas zijn er moeders die vaak ook van de onzinnigste klachten van het kind met welbehagen kennis nemen. Erger nog: ook advocaten en zelfs rechters laten zich soms door zulke klachten meeslepen in plaats van zich af te vragen of dat nu redenen zijn om een vader nooit meer te willen ontmoeten.

Het verstotingssyndroom gaat zich, volgens Gardner, ontwikkelen zodra het kind beseft dat er een strijd om gezag en zorg aan het ontbranden is. Om in die strijd een rol te spelen, begint het zijn eigen scenario van geringschatting en uitsluiting op te stellen. Na enige tijd kan het kind ervan bezeten raken de ‘gehate’ ouder te kleineren, beschuldigen en uit te stoten - dat alles zonder aanleiding of om aanleidingen die in geen enkele ver­houding staan tot een levenslange afwijzing. De gevolgen zijn rampzalig voor de ver­stoten ouder en voor het kind zelf. Zij uiten zich in gedrags-, prestatie- en ont­wik­kelings­stoornissen die het verdere leven kunnen overschaduwen. Een kind met PAS program­meren is geestelijke kindermishandeling en volgens Gardner zelfs ingrijpender dan lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik. “Veel mensen die als kind mishandeld werden, konden over hun pijn en vernederingen heengroeien en dat geldt ook bij seksmisbruik al grijpen de gevolgen daarvan dieper in. Maar wie een kind met een PAS programmeert, verbreekt de band tussen dat kind en de andere ouder voor het leven... Jongens hebben echter een vader nodig als rolvoorbeeld en meisjes een vader voor hun beeldvorming van de man. En op dezelfde manier hebben meisjes een moeder nodig als rolvoorbeeld en jongens een moeder voor hun beeldvorming van de vrouw. Kinderen van beide geslachten hebben ouders van beide geslachten nodig om te leren hoe zij in hun leven met mensen van beide geslachten moeten omgaan... Bovendien krijgen PAS-kinderen problemen met het inschatten van de werkelijkheid. Zij zijn ertoe geprogram­meerd dingen voor waar aan te nemen die totaal niet met hun eigen waarnemingen overeenstemmen. Dat leidt tot verwarring, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen, wantrouwen jegens mensen die iets anders zeggen dan de programmeerster en in ernstige gevallen tot een breuk met de werkelijkheid. Beschadigde werkelijkheidszin is een van de kenmerken van een psychose. Veel genoemd in verband met PAS-kinderen worden - paranoïde waanvoorstellingen en die kunnen jaren zoniet het hele leven aanhouden. Soms wordt hun zelfs ronduit psychopatisch gedrag aangeleerd: openlijk vijandelijkheid betuigen en zich van het gevolg daarvan voor het mikpunt niets aantrekken... Dat alles neemt echter niet weg dat een PAS-kind, al kan het er openlijk op snoeven dat het de andere ouder verstoten heeft, diep in zijn hart toch vaak een groot verlies ervaart. Een eens geliefd en gewaardeerd mens is uit zijn leven verwijderd... Dat kan gevoelens van depressie oproepen zonder de vrijheid die te kunnen uiten. Wat zich dan weer voortzet in aanpassingsmoeilijkheden op school en in de verstandhouding met anderen.”         

“Ook de verstoten ouder is ondertussen slachtoffer: vaak wordt hij op een uitge­sproken sadistische manier geschoffeerd, geminacht, beschimpt en belasterd en door zijn eigen kinderen behandeld en gehaat alsof hij geen gevoel zou hebben...  Nu is bezeten haat vaak maar een dunne verhulling van diepe liefde. Echte verwerping is neutraliteit, weinig of niet meer aan iemand denken. Het tegendeel van liefde is niet haat maar onver­schillig­heid. Hier neemt liefde echter de vorm van haat aan omdat kinderen zich tegenover hun moeder schuldig zouden voelen als zij openlijk liefde voor hun vader zouden bekennen...

Daarnaast kunnen bij de vorming van PAS ook nog oorzaken meespelen als identificatie met de agressieve ouder, overneming (inductie) van haar gevoelens, eenzijdige idealisering en de kans vrijuit woede te kunnen luchten die onder normale omstandig­heden onderdrukt of in banen geleid wordt. Identificatie met een agressor is een verschijnsel dat zich kan voordoen wanneer een zwakkere tegenover een overrompelende en dreigende partij machteloos staat. Hij/zij kan de toestand dan proberen te beheersen door de kenmerken van de sterke over te nemen. Als een razende moeder voor de ogen van het kind constant de vader staat te honen, dan kan het kind aan haar kant gaan staan omdat het bang is die uitbarstingen anders zelf over zich heen te krijgen. Een omgekeerd geval was dat van een jongen die er herhaaldelijk bij was dat zijn vader zijn moeder gemeen sloeg. Om zich daar zelf tegen af te schermen verklaarde hij zijn moeder te haten en veel van zijn vader te houden: lief­des­verklaringen die wel meer met angst dan met genegenheid te maken hadden. Het passief overnemen (inductie) van gevoelens is het best te vergelijken met het verschijnsel dat een trillende stemvork ook een andere stemvork in de buurt spontaan doet meetrillen. Zo kunnen ook menselijke gevoelens vaak heel snel door een ander worden overgenomen. Kinderen die bij een ouder wonen die van woede vervuld is en hysterische uitbarstingen van razernij vertoont, kunnen al gauw met haar gaan meetrillen.”

Een duidelijk symptoom van PAS is als men een kind als ‘geheel zelfstandig’ een mening laat zeggen die uit de ouder zelf voortkomt. Bedoeld wordt b.v. die situatie waarin een ouder er bij het kind op blijft hameren dat het helemaal zelf beslissen mag of het naar de andere ouder toe wil. Het kind, dat maar al te goed aanvoelt hoe de program­merende ouder hier eigenlijk over denkt, zegt dan met nadruk dat het uit zichzelf niet wil. Gardner maakte in zijn praktijk moeders mee die tegen hun kind woorden gebruikten als: ‘Als je niet naar hem toe wilt, dan sta ik helemaal achter je. Al moeten we ervoor naar de rechter, we staan op je mening. Ik laat hem niet met je sollen. Jij hebt het recht om niet te willen en je kan op mij rekenen dat ik daar ook voor opkom’.

“Hoe luidruchtiger en vastberadener deze moeders worden, des te meer verharden de kinderen in hun weigering - niet uit een primair verlangen hun vader niet meer te zien maar om niet tegen de moeder in te gaan. Tegen elke poging van de vader om bij de kinderen betrokken te blijven, wordt door moeder en kinderen een muur opgetrokken. Ondertussen kan men zich maar al te goed de reactie van de moeder voorstellen als dezelfde kinderen niet naar school of naar de tandarts zouden willen of niet ingeënt zouden willen worden. Er is beslist maar één soort weigering waarvoor de moeder de barricaden opgaat en dat is de weigering om de vader op te zoeken.”

Als men ziet om wat voor redenen kinderen de andere ouder of diens familie nooit van hun leven meer willen ontmoeten, dan wordt het maar al te duidelijk dat zulke kinderen wel geestelijk moeten scheefgroeien. ‘Hij zei altijd zo hard dat ik mijn tanden moest poetsen’; ‘Zij zei: ‘niet in de rede vallen’; ‘Oma verwent me: ze geeft me teveel speelgoed’; ‘Ik moet rustig zitten onder het eten’. ‘Ik mag pas televisie kijken als mijn huiswerk af is’; ‘Als ik piano gespeeld heb, klapt hij niet zo hard in zijn handen als mijn moeder’; ‘Ik moet meehelpen mijn bed op te maken’; ‘Ik moest op mijn zusje letten terwijl hij de afwas deed’; ‘De fiets bij mijn moeder is veel beter’; (een kind van zes:) ‘Hij behandelt me als een kind’. Enz. enz.   

 

De programmerende ouder

Hoewel Gardner juist de eigen inbreng van het kind het kenmerk vindt van een PAS-syndroom, laat hij geen twijfel bestaan aan de overheersende rol van de program­merende ouder. “Het woord hersenspoelen wordt niet als een vakterm beschouwd en in strikt wetenschappelijke publikaties niet erg aanvaard maar ik zie het toch wel degelijk als een nuttig woord omdat het heel direct aangeeft dat iemand via een wel­bewust proces het denken van een ander probeert te veranderen.” Van dit hersen­spoelen of programmeren geeft de schrijver dan een bladzijden lange catalogus van voorbeelden waarvan wij er hier maar enkele kunnen overnemen: “Er zijn moeders die zodra hun man vertrokken is, door het huis heen razen en alles vernielen wat nog maar aan zijn bestaan zou kunnen herinneren. Dat geeft de kinderen het gevoel dat hun vader zo’n verachtelijk en minderwaardig individu is, dat al wat van hem is blijven liggen het huis als het ware bevuilt en dat elk bewijs dat hij ooit bestaan heeft, moet worden uitgewist zelfs met inbegrip van b.v. foto’s van leuke gebeurtenissen. Het gebeuren heeft iets van wat er in bepaalde autoritaire staten plaatsvond, waar mensen opeens van de aardbodem verdwenen en elk restant van hun bezittingen in beslag genomen en vernietigd werd.

Algemeen is de manoeuvre om de vader voor te schrijven dat hij bij het afhalen van de kinderen in zijn auto moet blijven zitten en zijn aankomst maar kenbaar moet maken door te toeteren: aan de voordeur komen is er niet bij en aanbellen al helemaal niet. Letterlijk iedere andere sterveling die toevallig langskomt, mag gewoon op de deurbel drukken maar de vader als enige niet. Ook het antwoordapparaat is een machtig wapen: het staat altijd aan, ook als moeder en kinderen thuis zijn. Als de telefoon gaat, luistert moeder eerst wie er opbelt voordat zij al of niet opneemt. Voor de vader wordt in elk geval niet opgenomen en zo krijgen de kinderen praktijkles hem maar te laten praten en geen antwoord te geven. Deze gewoonte is zo algemeen dat sommige vaders (het gaat hier over Amerika) de moeder via een gerechtelijk bevel lieten verplichten om als zij thuis was het antwoordapparaat uit te schakelen en de telefoon op te nemen zodat de vader met zijn kinderen kon bellen. “In veel gevallen kon dat bevel helaas ongestraft genegeerd worden, zoals dat met vonnissen tegen PAS-moeders trouwens vaker het geval is.” Maar zodra het om de bezoektijden gaat, houden deze moeders zich juist weer uiterst stipt aan de vonnissen: ‘Als je een minuut te vroeg aan de deur komt, bel ik de politie!’ of ‘Als je een minuut te laat komt, krijg je ze niet mee!’ Ook door sabotage van het bezoek kan een wrede moeder doel­tref­fend haar gram halen: de vader klopt of belt aan de deur maar niemand komt hem opendoen, al zijn moeder en kinderen wel degelijk thuis. Een volgende keer zijn zij echt niet thuis: vóór de afgesproken bezoektijd gewoon zonder bericht weggegaan. Hoe grotere afstand de bezoekvader moet afleggen, des te krachtiger dat wapen is. “Ik heb een aantal zaken meegemaakt waarin vaders voor een bezoekrecht naar de andere kant van Amerika reisden, alleen om te ondervinden dat hun kinderen niet op de afgesproken plaats en tijd aanwezig waren. Helaas ondernemen rechtbanken meestal niet veel tegen dit soort wreedheid en dat is van belang voor de vorming van het vaderverstotings-syndroom omdat kinderen zo de boodschap meekrijgen dat een bezoek van de vader onbelangrijk is en ook dat niemand zich er iets van aantrekt als hij gemeen behandeld wordt.”

Hebben alleen vrouwen onvoorwaardelijk recht op een liefdevolle, intieme band met hun kinderen? “Bij schoolvoorstellingen zetten moeders de kinderen onder druk door te zeggen dat zij (de moeders) niet meegaan als de vader komt. Dat geeft het kind het gevoel dat de vader een soort ordeverstoorder is die louter door zijn aanwezigheid alles zal bederven. Naar mijn ervaring zijn echter juist dit soort moeders eerder geneigd tot demonstratief gedrag dan hun gehate exgenoten: een mooi voorbeeld van hoe het projectiemechanisme bij deze vrouwen werkt.”       

“Wat veel tot het verstotingssyndroom bijdraagt is om elke contactpoging van de gehate ouder als ‘lastig vallen’ te bestempelen. De vervreemde vader blijft immers vaak blijk geven van belangstelling door op te bellen, te proberen de kinderen te zien, cadeautjes te sturen enz. en wanneer dat door de moeder steeds als ‘lastig vallen’ wordt gebrand­merkt, gaan ook de kinderen het op de duur zo zien. Als de vader voor de kinderen opbelt, geeft zo’n moeder antwoorden in de trant van: “Ze zijn bezig”, “Ze gaan net eten”, “Ze zitten net te eten”, “Ze zijn nog niet met hun eten klaar”, “Ze kijken net televisie”, “Ze zitten net hun huiswerk te maken”, “Ze spelen met andere kinderen”, “Ze gaan net naar bed”, enz. De vader schijnt nooit op het goede ogenblik te bellen: wat de kinderen ook doen, ze mogen nooit door hem gestoord worden. Elke bezigheid, hoe onbeduidend of willekeurig ook, is belangrijker dan de vader.” 

Dan zijn er de blijf-van-mijn-lijf huizen. “In zulke huizen kan men over het algemeen drie soorten moeders met kinderen vinden:

(1)            moeders en kinderen die echt mishandeld zijn,

(2)        niet-mishandelde moeders en kinderen waarvan de moeder de (soms paranoïde) waanvoorstelling heeft dat zij en de kinderen mishandeld zijn, terwijl daar absoluut geen aanwijzingen voor  bestaan en

(3)        niet-mishandelde moeders en kinderen waarvan de moeder het vluchthuis bewust en weloverwogen als een PAS-manoeuvre  gebruikt. Louter omdat zij naar een blijf-van-mijn-lijf huis gaan, raken de kinderen er immers van doordrongen dat zij thuis onveilig waren. Helaas zijn sommige hoofden van deze huizen echt paranoïde en zien zij geen verschil tussen de drie groepen vrouwen  die er binnenkomen.”

In Nederlandse blijf-van-mijn-lijf huizen hoeven zij dat verschil trouwens niet te zien: die zijn er expliciet niet alleen voor mishandelde vrouwen maar voor alle vrouwen ‘met  een uitzichtloze relatie’. 

“Series moeders heb ik gesproken die hun kinderen naar een psychiater hadden gebracht zonder dat de vader daar zelfs maar iets van wist. Naar mijn ervaring gaan heel wat therapeuten daar helaas in mee waardoor zij zonder dat blijkbaar te beseffen het verstotingssyndroom in de hand werken. Het medisch beroepsgeheim bestendigt hier de stoornis. Verantwoor-delijke en verstandige therapeuten werken zo niet.”
“Een echt liefdevolle ouder begrijpt heel goed hoe belangrijk ook de niet-zorgouder voor de kinderen is en de minachtingscampagne waarin deze moeders de kinderen meeslepen, is dan ook niet in het belang van het kind, ja een blijk van hun tekortschieten als ouder... Wanneer zulke moeders de juridische veldslag om het gezag ‘winnen’, bereiken zij niet alleen dat gezag maar uiteindelijk ook een totale vervreemding van hun kinderen met de gehate exgenoot. Dat deze zegepraal de kinderen geestelijk kan vernielen, is wat zij diep in hun hart misschien wel willen. En zij voelen dat zij dat door onophoudelijk vechten, programmeren en vervreemden ook kunnen bereiken.”  

Ook de vaders die kinderen van hun moeders vervreemden, kunnen er trouwens wat van. Toen een moeder haar zoontjes naar hun schoolrapporten vroeg, zeiden die dat zij ‘veel te groot waren dan dat hun moeder nog voor hen op de ouderavonden hoefde te komen’ en dat zij zich trouwens ‘moest schamen om over kinderen van onze leeftijd nog op school navraag te doen’. De jongetjes waren zeven en negen jaar oud. Een andere vader zei de kinderen dat hun moeder hen aan hem had ‘verkocht’ en liet als bewijs daarvan zijn alimentatiekwitanties zien. Toen de moeder de kinderen opbelde, wilden die niets meer van haar weten: ‘je bent onze moeder niet meer, je hebt ons aan vader verkocht!’

Programmerende ouders beschikken over zo’n indrukwekkend repertoire van manoeuvres dat het Gardner niet gelukt is dat in groepen onder te verdelen. “Dat zegt wel wat over de creativiteit van de mensen die al deze kunstgrepen verzinnen. En hoe schandelijk die ook zijn, vernuft kan men hun niet ontzeggen. Mijn lijst van hun manoeuvres zal dan ook nog wel blijven aangroeien. Zoals bekend worden de meeste uitvindingen gedaan in oorlogstijd en dit vechten om kinderen is oorlog. Waarin net als in een echte oorlog de voortbrengselen van het vernuft vooral vernietiging dienen.”

 

De verstoten ouder

Tegenover de programmerende ouder staat haar of zijn mikpunt: de verstoten ouder. Voor hem geldt dat hij het altijd fout doet. Als hij aandringt om de kinderen te ont­moeten, wordt hij door de programmerende ouder en niet veel later ook door de kinderen beschuldigd van ‘lastig vallen’. En als hij welbewust afstand neemt en niets doet in de hoop dat de kinderen zo tot bezinning zullen komen dan ‘laat hij ze in de steek’, ook weer een kreet die door de kinderen in hun verstotingscampagne kan worden opgenomen. 

“Snelle maatregelen worden door de rechtbank alleen opgelegd als een ouder door de andere van geweld en vooral van seksmisbruik wordt beschuldigd. Andere zaken kunnen soms eindeloos lang blijven liggen, waardoor de programmerende ouder ongehinderd door kan gaan de kinderen met het PAS op te zadelen... Therapeuten hebben in hun opleiding geleerd zich passief en begrijpend tegenover hun patiënten op te stellen... Daarom kan de afgewezen ouder bij goedwillende maar onnadenkende therapeuten nogal eens raad verwachten in de trant van: “Niet te veel doen. Als de kinderen ouder worden, zullen zij begrijpen hoe zij gehersenspoeld zijn en dan draaien zij bij”. Maar in  werkelijkheid werkt de tijd juist in het voordeel van de programmerende ouder en zou de verstoten ouder dus de tegengestelde raad moeten krijgen. Johnston  heeft PAS-kinderen gevolgd tot hun jonge volwassenheid en vond dat de meesten van hen ook toen nog niets met de verstoten ouder te maken wilden hebben en aan hun houding van minachting en verwerping vasthielden. De gedachte dat kinderen als zij ouder worden vanzelf tot ander inzicht komen, kan onmogelijk voortkomen uit ervaring. Hoe langer het programmeren doorgaat, des te zwakker wordt namelijk de band met de verworpen ouder en des te onwaarschijnlijker een herstel van de omgang. En waar omgang maanden of jarenlang was stilgezet, is de verstandhouding niet meer te herstellen. Helaas vallen PAS-slachtoffers maar al te vaak in handen van zulke therapeuten en volgen zij lijdzaam hun slechte raad op met als gevolg dat zij hun kinderen voorgoed kwijtraken.”    
“Programmerende ouders zitten hun ex ook via de school dwars. Zij vragen de schooladministratie hem geen informatie over de kinderen te geven ja zelfs van ouderavonden, schooluitvoeringen e.d. uit te sluiten. Of de kinderen krijgen te horen dat als hij op de schoolavond komt, de moeder niet met hen meegaat. Tegenover de kinderen is dat weliswaar wreed maar programmeerders vallen, ondanks hun liefdesbetuigingen aan de kinderen, niet op door gevoeligheid voor wat die kinderen in werkelijkheid nodig hebben.”  

“Vaders worden bang dat er aan de waslijst van andere klachten ook nog een seks­beschuldiging zal worden toegevoegd. Dat hangt vooral in de lucht als de uit­stotings­manoeuvres nog niet helemaal gelukt zijn. Voorzichtige vaders gaan dan angstvallig die omstandigheden vermijden waaraan zo’n beschuldiging kan worden verbonden: met name de badkamer en de slaapkamer. Zij zullen hun dochtertje niet meer zelf wassen of op de w.c. doen maar zoiets, hoe onnatuurlijk het ook is, liever aan hun vriendin, zuster, moeder of een andere vrouw overlaten. Nog erger is het dat naïeve vaders dit soort gevaren niet zien aankomen en daar dan soms verschrikkelijk voor moeten boeten.” 

“In onze tijd is het erg in de mode om slachtoffer te zijn en sommige mensen kunnen daar zelfs een ziekelijke voldoening aan ontlenen. Werkers in de gezondheidszorg zijn vertrouwd met het verschijnsel van de ‘beroepsslachtoffers’. Helaas heeft dat er toe geleid dat men ook de door hun eigen PAS-kinderen verstoten ouders soms is gaan zien als mensen die op de een of andere manier hun slachtofferschap over zichzelf afge­roepen zouden hebben. Naar mijn ervaring is dat echter niet zo... Ik heb nu l5 jaar met PAS-gevallen te maken gehad en ben er nog niet een tegengekomen waarin de verstoten ouder zijn slachtofferzijn zelf in de hand gewerkt of bevorderd zou hebben.”
Opmerkelijk is ook het grote verschil tussen de soort ouders die door hun kinderen om gegronde redenen (mishandeling of verwaarlozing) worden afgewezen en de door PAS-kinderen verstoten ouders. Ouders die hun kinderen slaan zijn typisch opvliegende mensen en dat blijkt ook op ander gebied. Zij hebben ‘een laag kookpunt’ en kunnen het bij voorbeeld ook vaak niet te lang bij dezelfde werkgever uithouden. Voor verstoten PAS-ouders geldt volgens Gardner zo ongeveer het tegendeel: het zouden veelal mensen met zelfbeheersing zijn, zowel in het gezin als daarbuiten: mensen die vooruit kunnen denken en een regelmatig beroepsleven geleid hebben.      

 

Een sterke psychische stoornis

Hoewel het vaderverstotingssyndroom  geen geestesziekte is, beschouwt Gardner het wel als een sterke psychische stoornis en als een voorbeeld van het zogenoemde ‘folie-à-deux’, een verschijnsel waarbij de ene partij zijn/haar psychische afwijking op de andere overbrengt, zodat zij die dan allebei hebben. Andere Amerikaanse psychiaters delen het PAS dan weer in bij het Munchhausen syndrome by proxy (door overdracht), een stoornis die voor het eerst zo genoemd is door J. Money in l986 naar de bekende fantastische vertellingen van baron von Münchhausen. Het syndroom bestaat daaruit dat een ouder totaal verzonnen verhalen, vaak over ingebeelde ziekten, overal voor waar gaat rondvertellen en dat gestoorde gedrag op haar kind weet over te brengen. Ook valse incestbeschuldigingen worden (voor het eerst in 1989 door D.C. Rand) tot dit Munchhausensyndroom gerekend. Gardner houdt er echter aan vast dat het vaderverstotingssyndroom iets zelfstandigs is omdat daarin volgens hem veel meer sprake is van een, zij het door programmering op gang gebracht, actief handelen door het kind zelf.

Gardner onderscheidt drie gradaties van het verstotingssyndroom: de ernstige, matige en lichte gevallen. Bij de ernstige gevallen zijn de moeders volkomen fanatiek en soms paranoïde. Kenmerkend voor paranoia is het op een ander projecteren van ongunstige eigenschappen en gedachten die men in zichzelf niet erkennen wil, een bekend voorbeeld hiervan is de valse sexbeschuldiging. Kenmerkend is ook wreedheid. Met de kinderen is een folieàdeux binding ontstaan: zij delen de paranoïde wanen van de moeder en kunnen in totale paniek op de vlucht slaan als zij de vader (moeten) ontmoeten. Bij de matige gevallen zou het niet zozeer om gestoorde vrouwen gaan maar om vrouwen die razend zijn omdat zij door hun man verlaten werden. De binding met de kinderen is gezond te noemen. Vóór de scheiding waren zij vaak goede opvoedsters (in tegenstelling tot de moeders van de ernstige gevallen, die als opvoedsters tekort schoten). Als kinderen uit zichzelf met een sexbeschuldiging komen aanzetten dan kunnen deze moeders toegeven dat die vals is. Kinderen van deze matige gevallen maken weliswaar hun vader zwart maar kunnen die houding nog wel veranderen wanneer zij weer regelmatig met de vader in aanraking komen. Hun afweerhouding komt daaruit voort dat zij de gezonde binding met hun moeder willen verdedigen. Ook bij de lichte gevallen van vaderverstoting hebben de kinderen een gezonde binding met de moeder. Hier gaat het meest om moeders die in de eerste kinderjaren erg goed voor de kinderen gezorgd hebben en nu de kinderen tegen de vader programmeren om als het ware hun eigen positie veilig te stellen.

 

Westers procesrecht

Het is van belang om stil te staan bij het civiele procesrecht in de Westerse landen. Gardner beschouwt het zelfs als de hoofdschuldige van de mensonterende strijd om de kinderen. Dit procesrecht kan worden omschreven als een conflictsysteem met een hang naar een ‘winner takes all’ uitkomst. In Aziatische landen zijn daarentegen begrippen als bemiddeling en verzoening veel sterker in de samenleving verankerd. Als twee Japanners een geschil hebben dan gaan zij vaak eerst samen naar een door hen allebei hooggeachte oudere om die om bemiddeling te vragen: wie dat niet zou doen wordt zelfs als een asociale ruziemaker beschouwd. Komt men er zo niet uit dan kan men zich wenden tot buurthuizen voor geschillenbemiddeling en pas als ook daar geen oplossing gevonden wordt dan zal men naar een advocaat stappen. Dat is een van de redenen waarom er in Japan maar een advocaat op de 7.500 inwoners is en in de Verenigde Staten een op de 275 (dat komt neer op bijna 1 miljoen advocaten!). Nederland zit daar met een advocaat op de 1.600 inwoners tussenin. Het systeem van tegen elkaar in procederen scherpt vijandelijkheid aan en drukt de partijen wapens in de hand waarvan zij uit zichzelf geen weet hadden. Het draagt zo sterk bij tot een escalatie van wraakneming dat de procesvoering zelf grotere geestelijke schade kan toebrengen dan het kapotte huwelijk dat het eigenlijk alleen maar had moeten ontbinden. 

Civiele procesvoering bewaart nog trekken van de middeleeuwse wet dat bepaalde geschillen namens de partijen in een tweegevecht werden beslecht door beroeps­worstelaars. “Naar mijn mening staan wij in sommige opzichten niet echt zover van die middeleeuwse rechtsgewoonte af... Veel echtscheidingsprocessen zijn een ‘bloedig tweegevecht’. Levens zijn er letterlijk door verwoest, mensen er al hun middelen bij kwijtgeraakt of geestelijk onherstelbaar door beschadigd”. De beroeps­worstelaars van onze tijd zijn de advocaten. Aan hun pleidooien zou tot omstreeks l850 mede de eis zijn gesteld de waarheid te zoeken en het recht te dienen terwijl daarna de nadruk geheel is verschoven naar het belang van de cliënt. Dat men voor dat belang ook recht mag praten wat krom is, ja de rechtbank mag voorliegen, wordt blijkbaar als normaal ervaren . “Het gevolg”, schrijft Gardner nogal cru maar onomwonden, “is dat naar mijn mening studenten in rechtsfaculteiten worden opgeleid tot leugenaars”. 

Een ander verhelderend punt is de geschiedenis van het toewijzen van de kinderen na scheiding. Volgens de Code Civil (van l804 af in veel landen van Europa ingevoerd) bleven kinderen na echtscheiding - die toen praktisch nog niet voorkwam -  automatisch bij de vader: dat vloeide voort uit diens rechtspositie als gezinshoofd. Maar al vrij gauw daarna ging het schuldbeginsel overwegen en zo gold b.v. in Nederland sinds het Burgerlijk Wetboek van 1838 als hoofdregel dat de kinderen bij die ouder kwamen die aan de scheiding onschuldig was  waarbij de rechtspraak moeders op dat punt vaak wat strenger schijnt te hebben beoordeeld dan vaders. Kleine kinderen bleven bij de moeder totdat zij, wat opgegroeid, eventueel naar de vader gingen als die de onschuldige partij was verklaard. Van ongeveer l900 af begon internationaal de opvatting door te breken dat moeders door hun zachtaardigheid wezenlijk beter geschikt zouden zijn om kinderen op te voeden: een vooronderstelling die in Engelstalige landen nog steeds wordt aangeduid met de vakterm ‘tender years presumption’. Nederland liep hierin nogal voorop: al sinds l901 gold er de regel dat het kind na echtscheiding onder eenhoofdig gezag stond van de ouder die ook de dagelijkse zorg mocht geven en dat was steeds vaker de moeder. In Engeland gold hetzelfde sinds l925. Aanvankelijk werd daarbij aan moeders nog wel de eis gesteld de kinderen een goed moreel voorbeeld te geven, waardoor b.v. een vrouw die haar man bedrogen had of veel uithuizig was, vaak niet voor gezag en zorg in aanmerking kwam. Maar die eisen werden steeds meer afgezwakt. Ook in België is het voorrangsrecht van de onschuldige ouder in l965 vervallen. Praktisch elke moeder die bereid en beschikbaar was, kreeg voortaan bij voorrang de kinderen.

 

De advocatuur

Sinds de jaren zestig begon het aantal scheidingen bovendien de pan uit te rijzen en brak er een tijd aan die, althans voor de advocatuur, wel als de gouden eeuw van de echtscheidingsprocessen kan worden aangemerkt. “En hoewel sommige advocaten beseffen wat voor een verschrikkelijk geestelijk trauma er uit lange echtscheidings­processen kan voortkomen, beseffen anderen dat niet. Zij willen een zaakje winnen.”

Dat geldt ook voor Nederland. Niet zelden begint de advocaat ermee zijn cliënt(e) op het hart te drukken niet meer met de (ex)genoot te praten, ook niet voor regelingen over de kinderen: “Daar heeft u nu juist uw advocaat voor”. Vervolgens gaat men aan de slag om de exgenoot lukraak te betichten van al wat maar bedacht of opgeblazen kan worden. “Ik noem dit de terriërs onder de advocaten. Helaas een aardig groot deel van de beroepsgroep... Alleen dreigbrieven, teruggefaxte brieven van mijn advocaat beklad met dreigende opmerkingen: dat was zijn wijze van communiceren... Ook zorgde hij ervoor dat onze moeizaam totstandgekomen afspraak over het coouderschap  de kinderen zouden per 14 dagen er vijf bij mij komen weer teruggedraaid werd”. De vader die dat meemaakt. gaat dan op zoek naar een advocaat om zich hiertegen te verweren maar komt van de regen in de drup: “Deze vrouwelijke advocaat was toch wel duidelijk iemand van de generatie na de mijne en jong genoeg om vanuit huidige opvattingen te kunnen reageren op mijn situatie. Maar zij had totaal geen begrip voor mijn positie en die van de vader in het algemeen: “Vermindering van eigen inkomen om mogelijkheden te creeren zich meer met de kinderen bezig te houden, staat gelijk aan alimentatieont­duiking... je exvrouw kan beter voor je kinderen zorgen, dus vergeet die kinderen maar.”   
Het Maastrichtse advocatenkantoor W. en F. liet op zijn briefpapier de tekst uittikken dat een meisje van elf met haar vader (die nergens van beschuldigd werd)  geen omgang meer wilde; het Zwolse advocatenkantoor B. en G. maande een grootmoeder per brief om weg te blijven van de derde verjaardag van een kleinkind waar zij in de voorafgaande scheidingsfase geruime tijd thuis voor gezorgd had, ja het kindje ook geen verjaardagskaart te sturen. Enz. enz.

Een Amerikaanse advocaat schrijft in zijn memoires: “Als ik mijn kantoor uitkom op weg naar het gerechtsgebouw, dan weet ik dat daar een zaak wacht waarin geen plaats is voor vergelijk of verzoening of het goede afwegen tegen het slechte. Het wordt een zaak van erop of eronder, van vechten met klauwen en tanden. En daar geniet ik van”.

Een rambo-advocaat, zullen we maar zeggen. Gelukkig zijn er ook nog andere: “Zowaar als er fatsoen en rechtvaardigheid is, zowaar kunnen de opstellers van onze grondwet nooit bedoeld hebben dat bij een echtscheiding de beklagenswaardige ouders en hun kinderen in een gerechtelijk strijdperk worden geworpen om daar met hun advocaten als helpers elkaar met woorden te verscheuren en neer te houwen in een door gemoedsbeweging beheerst vechten waar nooit een eind aan komt. Wij zijn menselijk genoeg geweest om hanengevechten, hondengevechten en stierengevechten te verbieden, waarom zoeken wij dan niet naar een manier om deze barbaarse echtscheidingsgevechten te beëindigen?” 9)

Sinds ongeveer  1975 begon de vooronderstelling dat de moeder door haar zachtaardigheid nu eenmaal de beste ouder is, in Amerika terrein te verliezen. Er kwam een nieuw beginsel op: in onze maatschappij met haar totale gelijke kansen  waarin ook vrouwen desgewenst straaljagerpiloot, hartchirurg of echtscheidingsadvocaat kunnen worden  moeten vrouw en man ook als moeder en vader gelijke kansen hebben (‘the sex blind rulings’). Toch houden sommige Amerikaanse rechters nog aan het moeder­voorrecht vast en in Europa is dat zelfs onomstreden. In de Verenigde Staten geldt na l980 in de meeste staten bij voorrang het gezamenlijk gezag en een gelijk recht op de dagelijkse zorg. Alleen in sommige Noordoostelijke staten is dat, vooral door het veto van de gouverneurs, nooit van kracht geworden.  

 

Therapeuten

Medische deskundigen kunnen bij processen over de kinderen een belangrijke rol spelen. Hun enige goede informatiebron is volgens Gardner echter een gesprek met beide ouders en de kinderen gelijktijdig. Als dat niet mogelijk is omdat een van de partijen het niet wil, valt er niets te bereiken. Alleen uit dat gesprek kan namelijk blijken met welke ouder de kinderen de sterkste geestelijke binding hebben. En die moet worden vastgesteld aan de hand van wat Gardner zo mooi ‘grootmoeders maatstaven’ noemt: dat wat grootmoeder tekenen van goed ouderschap zou vinden als haar geest in de woning kon rondwaren en aan de deskundige verslag uitbrengen. De meeste groot­moeders hadden weliswaar geen doctoraal in de kinderpsychologie en geen benul van de uitgekiende metingen waar wij ons tegenwoordig op laten voorstaan, maar zij letten wel goed op die ouderhandelingen waaruit het gevoel spreekt en die het vlechtwerk van de ouder-kind binding uitmaken: wie maakt de kinderen ’s morgens wakker, zet ze het ontbijt voor, brengt ze naar school, zit ’s middags met ze aan tafel, helpt ze bij het huis­werk en stopt ze ’s avonds in bed; wie is bereid zich wat voor de kinderen te ontzeggen, offers voor hen te brengen. Zo kan de deskundige vaststellen welke ouder-kind binding in de kleuterjaren tot stand is gekomen. Dat is niet alleen van belang in verband met het later gevormde verstotingssyndroom maar ook om vast te stellen wie van de ouders de dagelijkse zorg moet krijgen.

Bij duidelijke gevallen van een verstotingssyndroom bepleit Gardner een gerechtelijk bevel tot psychiatrische behandeling van het gehele gezin. Zonder dat bevel zal het nooit tot een behandeling komen en individuele therapie leidt nergens toe. “Dit is niet het soort therapie dat verricht kan worden door een therapeut die er passief bij zit terwijl patiënten hun verzinsels afdraaien, maar door iemand die eventueel niet te benauwd is een dwarsliggende patiënt ermee te dreigen de rechter in te schakelen. Sommige lezers zullen wel onthutst zijn dat ik in verband met een patiënt het woord dreigen gebruik maar zonder die mogelijkheid zal therapie van PASgezinnen geen resultaat opleveren”.

Volgens Gardner vereisen de drie gradaties van het verstotingssyndroom elk een andere aanpak. In ernstige PASgevallen moeten de kinderen vóór alles aan de dagelijkse zorg van de moeder worden onttrokken en bij de vader komen wonen, in de eerste tijd zelfs zonder enig contact met de moeder. Veel moeders in deze groep zijn uitgesproken paranoïde. Tussen moeder en kinderen bestaat een ongezonde binding en die zal ook door therapie niet verdwijnen zolang de kinderen bij hun moeder wonen en daar zijn blootgesteld aan een spervuur van afkammerij en andere openlijke en heimelijke beïn­vloeding die het syndroom in stand houdt... De geprogrammeerde kinderen moeten gedeprogrammeerd worden, zoals dat ook gebeurt met kinderen die lang in een sekte hebben gezeten. Een wat verder terug liggend voorbeeld is dat van de Amerikaanse soldaten die in Korea krijgsgevangen waren gemaakt, daar gehersenspoeld werden tot haat tegen hun vaderland en na hun terugkeer weer ‘teruggespoeld’ moesten worden.
Als de kinderen bij de vader geplaatst worden, zal hun vijandelijkheid tegenover hem stapsgewijze verminderen. Die plaatsing is hun enige hoop om de band met hem te herstellen en beschermd te zijn tegen het door inductie overnemen van de geestelijke stoornis van de moeder. Zonder dit omdraaien van de zorg zal hun band met de slachtofferouder onherroepelijk verloren gaan en zullen zij voorspelbaar de stoornis van de moeder ontwikkelen. 

“Helaas zijn veel rechters en gezondheidswerkers niet ontvankelijk voor deze aanbeveling om (vooral wanneer paranoia aanwezig is) de kinderen aan de programmerende ouder te onttrekken... Dat heeft wel te maken met het diepgewortelde gevoel dat kinderen nu eenmaal niet bij de moeder weggehaald moeten worden, hoe gestoord die ook is.”   

Toch zijn er ook rechters die over dat vooroordeel heen stappen. Zoals dat gebeurde in een geruchtmakende zaak in Antwerpen (de zaak notaris X), waarin de vader na scheiding als omgangsrecht de twee jonge kinderen nog ’s zondags overdag ten huize van zijn ouders mocht ontmoeten en de paranoide moeder dan ’s maandags met het oudste jongetje (7) naar de politie trok waar het verklaarde dat hij en zijn broertje de vorige dag door de vader misbruikt en mishandeld waren. Nadat bewezen was dat de moeder het kind de valse beschuldigingen in de mond had gelegd, heeft het hof van beroep de zorg omgedraaid en de kinderen eerst als overgangsmaatregel aan de ouders van de vader, later aan de vader zelf toegewezen l0). Uit latere mededelingen in de pers van de inmiddels adolescente jongens lijkt naar voren te komen dat die overgang naar de vader niet tot bijzondere moeilijkheden heeft geleid. Het contact met de moeder is bewaard gebleven. Opgemerkt kan worden dat het hof van beroep hier een zwaar PAS-geval heeft voorkomen: de jongetjes verstootten hun vader nog net niet maar de haatvorming was al in volle gang. 

10.     P. Koeck (1990), Notaris X. Leuven, Kritak.  terug naar tekst

 

Bij meer gematigde PAS-gevallen acht Gardner het mogelijk de kinderen bij de moeder te laten om van daaruit aan herstel van de omgang met de vader te werken. Als de moeder blijft tegenwerken dan zou men haar kunnen dreigen met omkering van de zorg of met gevangenisstraf hoewel  zegt de schrijver erbij, hij in de praktijk wel vaders achter de tralies heeft zien verdwijnen als zij niet aan hun (financiële) verplichtingen voldeden maar geen moeders als die niet aan hun (omgangs)verplichtingen voldeden. De therapeut die met deze situatie aan de slag gaat, moet een neutrale, door de rechtbank aangewezen, deskundige zijn. Zijn behandelkamer kan dan tegelijk als het ‘uitwisselpunt’ dienen waar de kinderen voor de omgang van de ene naar de andere ouder gaan. Moeilijke moeders in deze categorie lijden nogal eens aan neiging tot overbescherming. Als zij naar een verre bestemming willen verhuizen om de kinderen aan de vader te onttrekken, moet de rechtbank hun verbieden de kinderen mee te nemen. 

Bij zwakke gevallen van het verstotingssyndroom is therapie meestal niet eens nodig. Gardner denkt dat veelal alleen maar de moeder gerustgesteld moet worden dat de vader de dagelijkse zorg niet krijgt en zijzelf dus wel. Als zij zich maar veilig voelt om te mogen zorgen, zou zij de omgang met de vader niet meer beletten.

behandelingsschema bij een ouderverstotingssyndroom

 


zwak


matig


ernstig

 

rechtbank   

 

geen verandering van gezagshouder

 

Plan A
(meestal)

1.)  geen verandering van gezaghouder

2.) aanwijzing van een PAS-therapeut

3.) sancties:
   a.  boete
   b.  huisarrest
   c. gevangenis

Plan B
(Soms nodig)

1.vonnis: verandering van gezaghouder

2. heel beperkt contact met de 'geliefde' ouder, zo nodig onder toezicht, tegen indoctrinatie

 

1. (meestal) verandering van gezagsouder
2. voorgeschreven uitwisselingspunt

 

therapie  

 

meestal niet nodig

 

Plan A
(meestal)

rechtbank wijst PAS-therapeut aan

 

Plan B
(Soms nodig)


uitwisseling onder regelmatig toezicht

 

 

uitwisseling onder regelmatig toezicht therapeut

 

Veel vaders komen al procederend geestelijk en financieel totaal aan de grond te zitten. Rechtbanken willen het gezag niet van de moeder aan de vader overdragen en ook geen andere harde maatregelen tegen moeders nemen. Uitdagend negeren moeders hun omgangsverplichtingen in de zekerheid dat de rechtbank daar toch niet tegen zal optreden.

 

Nog eens vaders

Wat kan Gardner de verstoten vaders voor raad geven? “Sommige vaders verliezen de moed en lijden zoveel verdriet door de verstoting dat zij erover denken zich maar voorgoed van hun kinderen terug te trekken. Vaak wordt hun (soms zelfs door goedwillende therapeuten) aangeraden de wens van kinderen die hen niet meer willen zien, te 'eerbiedigen' omdat die kinderen toch uiteindelijk uit zichzelf weer naar hem toe zullen komen. Zo'n raad is niet doordacht: de raadgever is er niet mee vertrouwd hoe de geestelijke band tussen vader en kind in het geniep verzwakt en zelfs gesloopt kan worden. Mijn algemene raad aan zulke vaders is om redelijke contactpogingen te blijven volhouden, ervan uitgaande dat er ondanks vijandelijkheid van de kinderen nog steeds resten van de vroegere binding doorwerken. Ik probeer de vaders een middenweg te helpen vinden tussen opdringen en opgeven. Ik raad ze aan om per post en via kennissen wat van zich te laten horen bij verjaardagen, diploma-uitreikingen, intrede in de kerkelijke gemeente enz...Ook al worden hun brieven (voor of na lezing) vernietigd en de telefoon op de haak gegooid, ik raad ze aan te blijven schrijven. Nogmaals: vooral niet zo vaak dat het als lastig overkomt. Vaders moeten zich de vroegere band met hun kind blijven herinneren en hopen dat liefde uiteindelijk angst zal overwinnen. Omdat wij geen vervolgstudies over de zo volwassen geworden kinderen hebben, weet ik niet hoe dikwijls deze raad van nut is geweest. Ik vermoed maar in een beperkt aantal gevallen, al mag ook dat er een therapeut nooit van weerhouden zo'n raad te geven.”

 

Therapie

“Maar bij deze pessimistische noot wil ik het niet laten. Ik ben in wezen optimistisch over de mogelijkheid om kinderen met een ernstig verstotingssyndroom in gezinsverband therapeutisch te behandelen, als de therapeut er de rechtbank tenminste van kan overtuigen dat het om zo’n syndroom gaat en hij daarna de rechtsmacht als stok achter de deur kan inzetten... Wanneer justitie en psychiatrie op dit punt samenwerken dan kan hier succes behaald worden, terwijl elk afzonderlijk bijna tot mislukken gedoemd zijn. De therapeut heeft nu eenmaal niet de macht van de rechtbank en de rechtbank niet de kennis van de therapeut.” Gardner geeft dan (blz. 341-351) een tien bladzijden lang voorbeeld van de uiterst moeizame therapeutische behandeling van Gloria en Ned en hun kinderen waarin Gloria de zaak in het begin op alle manieren saboteert en de therapeut zachtmoedigheden als “Stomme idioot, je verpest mijn kinderen” naar het hoofd slingert. Maar uiteindelijk weet deze met moed en volharding de kinderen toch weer tot een redelijk normale omgang met de vader te brengen. Al verzucht hij wel: “Sommige lezers hebben bij dit behandelingsvoorbeeld vast gedacht dat er binnen of buiten de psychiatrie waarachtig wel een prettiger manier is om aan de kost te komen. En dat vind ik zelf ook. Het is onsmakelijk en af en toe vernederend... Maar voor ernstige verstotingsgevallen is het de enige behandeling die ik ken. En in alle beroepen moet soms vuil werk gedaan worden... Door dit te verdragen kan het leven van jonge mensen worden beveiligd, kan verhinderd worden dat een kind blijvend vervreemdt van een ouder: zijn kostbaarste bezit.”  

Dat alles is wel afhankelijk van de medewerking van de rechterlijke macht. “Ik ken geen beter voorbeeld van de waarde van de samenwerking van psychiatrie en recht dan de behandeling van het verstotingssyndroom”.

 

Nog eens rechters en advocaten

Maar in de praktijk valt dat niet altijd mee: “Een klacht die ik over veel rechters heb, is de traagheid van de uitspraken. Vaak komt dat omdat een rechtbank overbelast is of een advocaat de zaak vertraagt maar ik heb ook te veel zaken meegemaakt waarin de uitstelmanoeuvres van de rechters zelf uitgingen. Veel rechters zijn besluiteloos en vinden steeds weer redenen om het vonnis voor zich uit te schuiven”.      

Als het grootste struikelblok ziet Gardner delen van de advocatuur: “Advocaten rekken de procesvoering: sommigen voor gewin, anderen omdat zij weten dat de tijd in het voordeel van hun cliënte werkt, vooral wanneer zij het is die de kinderen programmeert. De drang om het met alle macht voor de cliënte op te nemen is groter dan de bereidheid in te zien dat dit schadelijk is voor haar kinderen’.

Het probleem zit dan ook diep: “Die advocaten die de in dit boek beschreven euveldaden begaan, moeten wel persoonlijkheidsgebreken vertonen. Zij schieten sterk tekort in hun ontvankelijkheid voor anderen en sluiten zich af voor de geestelijke schade die zij cliënten  zowel hun eigen als die van andere advocaten  toebrengen... In uiterste gevallen worden zulk soort mensen psychopaten genoemd ... Psychopatische typen kunnen erg overtuigend en beminnelijk overkomen: zij zijn vaak meesters in misleiding... Na jarenlang beroepshalve andere partijen misleid te hebben, beseffen veel advocaten niet meer wat zij zichzelf en hun cliënten aandoen. De waarheid verbergen en weglaten is een deel van hun persoon en hun levensstijl geworden.”

“Liegen kan op twee manieren: door onwaarheid te spreken en door waarheid weg te laten. Een handelaar die een stuk glas te koop aanbiedt en zegt dat het een diamant is, spreekt onwaarheid. Een zwangere vrouw die voor haar man verzwijgt dat hij niet de vader is van het kind dat zij verwacht, laat de waarheid weg. Maar in beide gevallen gaat het om bedrog. De regels van het strijdproces moedigen liegen door weglating aan. Zij leiden ook tot absurde inconsequenties. Dezelfde advocaat die een arts voor het gerecht daagt als die in zijn werk gegevens heeft achtergehouden (omdat ze voor een patiënt schadelijk kunnen zijn), zal in zijn eigen werk en voor datzelfde gerecht als vanzelf­sprekend gegevens achterhouden (omdat ze voor zijn cliënt schadelijk kunnen zijn)... Het strijdproces moedigt het achterhouden van gegevens aan en het argument dat de andere partij daar dan wel mee op de proppen zal komen, klopt niet omdat de andere partij misschien wel niet weet dat zulke informatie bestaat...Op grond van mijn ervaring in echtscheidingsprocessen zou ik zeggen dat ik 80-90% van alle cliënten zonder aarzeling voor de rechtbanken heb horen liegen. Daarnaast leidt de procedure ook nog tot muggenzifterij, tijdverspilling, vertraging en ondervragingen die het boven water komen van gegevens eer belemmeren dan bevorderen.     

Om beter de waarheid vast te stellen stelt Gardner voor om de partijen over hun verklaringen rechtstreeks met elkaar in gesprek te brengen en dus niet alleen via de advocaten of de rechter. Een gunstige zaak acht Gardner de echtscheidingsbemiddeling. Maar hoewel deze ook in Amerika al een jaar of twintig bloeit, zijn er nog steeds geen algemene normen voor de opleiding. Universiteiten tonen er weinig belangstelling voor. 

Grondonderzoek

Wat Amerika betreft zoekt Gardner de voedingsbodem van het PAS in de echtscheidingswetgeving van de jongste decennia: “Vaak heb ik de laatste jaren het gevoel gehad dat wij in Amerika de vroegere voorrang van de moeder beter niet overboord hadden kunnen zetten... De nieuwe gelijkheid heeft veel leed berokkend... vooral het gelijke recht van vader en moeder op de zorg en het grote enthousiasme voor het gedeelde gezag. Het vechten om het gezag is sinds het midden van de jaren 70 dramatisch toegenomen en dat is ongetwijfeld het gevolg van die twee ontwikkelingen”.

“Naar mijn mening houden de rechtbanken niet genoeg rekening met de krachtige invloed van de prilste levensjaren en van de binding met de ouder die toen het meest voor het kind zorgde... Dat was meestal de moeder...Wanneer die binding bedreigd wordt door een rechter die vader en moeder precies gelijkstelt of door een opgelegd gezamenlijk gezag dan zullen moeder en kind zich daar met alle kracht tegen verweren. De moeder hersenspoelt het kind en daarnaast ontwikkelt het kind, om de binding te handhaven, zijn eigen scenario”.    

De schrijver stelt dan voor om de volkomen rechtsgelijkheid (in Amerika) van vader en moeder in gezag en zorg weer af te schaffen, zonder echter terug te keren naar het oude voorrangsrecht van de moeder. Toewijzing van zorg en gezag zou moeten gebeuren op grond van drie maatstaven:  
1.         Voorrang voor die ouder (moeder of vader) met wie het kind de
            sterkste gezonde geestelijke band heeft.
2.         Die band zal het waarschijnlijk hebben met die ouder (moeder of

           
vader) die er in de eerste levensjaren het meest voor gezorgd heeft.
3.         Maar hoe meer tijd er ligt tussen die eerste jaren en het ogenblik van
           de gezagstoewijzing, des te groter is de kans dat latere invloeden de
           overhand krijgen.

“De toewijzing aan die ouder die in de eerste jaren het meest voor het kind gezorgd heeft, zal tot gevolg hebben dat veel moeders automatisch zorg en gezag krijgen en dat zou het getwist om het gezag zoals wij dat nu in Amerika kennen, sterk verminderen.”

Dat laatste lijkt een wensdroom. Want komt PAS wel echt voort uit een afweerslag van moeders die zich in hun oude zorgvoorrecht bedreigd voelen? En hoe zou dat te rijmen zijn met Gardners eigen jongste schattingen dat in Amerika nu al bijna de helft van de PAS-kinderen niet door de moeders maar door de vaders geprogrammeerd worden?

En waarom zou ook een goed drie-punten-plan niet net zo hard tot verbitterde vechtscheidingen kunnen leiden? Want die drie punten gaan sterk in de richting van de manier waarop idealiter in Europa na scheiding de zorg wordt toegewezen. Toch is in Europa de voorrang van de moeder op de kinderen in de praktijk nooit betwist, terwijl het gezamenlijk gezag in Nederland nog maar bestaat sinds l998 (in België sinds l995) en dan nog vaak alleen als ook de moeder het wil. Toch verbreekt ook hier zowat de helft van de scheidingskinderen binnen een paar jaar het contact met de vader - hoe goed die hen ook behandeld, soms ook voor hen gezorgd heeft. Op te merken valt nog dat de afweerslag van kinderen tegen de vader feller wordt naarmate deze langer het huis uit is en de binding met de moeder dus juist minder bedreigd wordt. Vaderverstoting hoeft dus niet te maken te hebben met zich bedreigd voelen in een binding als wel met de haatstemming die, niet zelden feministisch geïnspireerd, door de moeder in het kind op gang wordt gebracht. Het kind past zich aan aan een algemene mentaliteit in onze samenleving waar “niemand zich er nu eenmaal veel van aantrekt als een vader gemeen behandeld wordt”.      

Niettemin verdient The Parental Alienation Syndrome alle lof om zijn grandioze beschrijving van het verstotingsverschijnsel, precieze formuleringen, ruime blik en grote leesbaarheid. Het boek draagt als ondertitel ‘Gids voor werkers in de geestelijke gezondheidszorg en juristen’ en het is te hopen dat die het ook grondig zullen lezen. Ouderverstoting wordt hier bij ons weten voor het eerst systematisch gezien en omschreven als vooral een gezondheidsprobleem. Syndroom, stoornis, scheefgroei of alleen maar ziekelijk? Een ding is zeker: vanuit de geestelijke volksgezondheid zou er wel meer tegen gedaan kunnen worden. Met rechtsmacht als onmisbare hulp voor de moeilijkste gevallen.

rob van altena

 

1.        Richard A. Gardner (1998) The Parental Alienation Syndrome, A Guide for Mental Health Professionals, 2de druk. Cresskill, New Jersey, U.S.A. ISBN 0-933812-24-s. Daarop als aanvulling door de schrijver: Addendum I, juni 1999.

2.        Op internet ondet http://www.rgardner.com/refs/pas.thml Ook: voor Duitsland: http://www.pappa.com/recht/pasinfo.htm

3.        I.D. Turkat (1995), Divorce relatedmalicious mother syndrome. Journal of Family Violence, 10(3): 253-264.

4.        A. Burgess (1997) Het vaderinstinct. Amsterdam. Vertaling van Fatherhood Reclamaimed, Londen, 1997.

5) J.R. Jonhnston (1993). Children of divorce who refuse visitation. In Nonresidential Parenting: New Vistas in Fammily Living, redactie C.E. Depner en J.H. Bray. Londen, Sage Publications

6. mr. G. Sprong (1997). Leugens om bestwil. Amsterdam.

7.        P. van de Wiel (1998). De gescheiden man. Elmar; Rijwijk.

8.        H.A. Glieberman (1975), confessions  of a Divorce Lawyer. Chicago. Geciteerd in Gardner (1998), The Parental Alienation Syndrome.

9.        S.J. Berger (1985). Geciteerd in Garnder; The Parental Alienation Syndrome.

 

Top